“Zullen we vadertje en moedertje spelen?”, ik heb die vraag vroeger zo vaak gesteld dat ik mijn eigen kinderstem nog in mijn hoofd hoor, nu ik de zin opschrijf. Ik speelde graag vader en moedertje met vriendjes en vriendinnen. We ‘kookten’, lazen ‘ons kind’ voor en stopten het daarna in bed. En als het kind stout was, werden we boos en deden we lekker stout terug. Spielerei.

En Spielerei lijkt het nog steeds zo nu en dan. Ik zit in een jaren durend experiment dat ‘kinderopvoeding’ heet en waarvan ik soms denk: wie ben ik dat ik dit doe? Zelf nog een groot kind van 43: giebelig, melig, ongeduldig en zeurderig, bezorg ik mijn kinderen vast trauma’s voor het leven, naast een aantal goede herinneringen mag ik toch hopen.

In de kern is de opvoeding die ik ze bied, niet meer of minder dan goedbedoeld amateurisme. Nu ze ouder worden zie ik dat steeds duidelijker. Het enige opvoedingsboek dat ik ooit kocht, biedt steeds minder soelaas. Eerlijk gezegd staat dat boek ongelezen in de kast, want ik vond de titel en de beknopte tekst op de omslag al helder genoeg: ‘Nee zeggen tegen uw kind’.’Een gelukkig kind kent liefde, respect èn grenzen’. Zo is het, daarmee kun je gewoon tot de puberteit vooruit.

Maar nu zijn er onverklaarbare zeurbuien, ‘kont tegen de krib’ gedrag, brutaliteit, lamlendigheid en wat dies meer. Soms pak ik ze terug met een enorme chagrijnige bui. ‘Wat jullie kunnen kan ik ook’ is dan mijn onuitgesproken en onvolwassen credo. En dat bleef vandaag voor het eerst niet onopgemerkt. Toen ik al een half uur pruilend aan tafel zat riep mijn zoon van 11: “Je lijkt zelf wel een kind. Als ik er zo bij zou zitten, zou je nu bedenken hoeveel uur beeldscherm verbod je zou kunnen opleggen aan me”.

Het is ineens volkomen duidelijk. Ik moet een professionaliseringsslag maken. De tijd van vadertje en moedertje Spielerei is voorbij. De kinderen worden in alle opzichten groter dan ik.

Ik ben toe aan een nieuwe pakkende titel en dito beknopte omslagtekst.

Advertenties