De vrijdag voor de kerstvakantie, op de achterbank: “Mam, ik heb iets gezegd dat niet waar is”. “Wat dan jongen?” Ik heb gezegd dat wij twee weken naar Noord-Korea op vakantie gaan”. “Owww…dat is echt niet eens in de richting van Noord-Limburg, zoon!” “Nee, mam, ik weet het, maar iedereen vond het zo interessant dat ik maar doorging met liegen”. “Als we thuis komen bel je de juf op om te zeggen dat je het verzonnen hebt. OK?” “Moet dat echt……oooooohkeej dan”.

Maandagmiddag na de kerstvakantie, op het schoolplein: “Ik ben blij dat je het leugenachtige gedrag van je zoon zo serieus hebt opgepakt. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat hij verzinsels vertelt, zonder dat daar maatregelen tegenover staan. Wij waren allemaal, ja ook de kinderen, heel verbaasd dat jullie in Noord Korea vakantie vierden”. “Dus jij geloofde dat wij naar Noord-Korea op vakantie gingen? Ik bedoel…jij dacht werkelijk dat wij daar de kerst doorbrachten? Dat iets dergelijks überhaupt zou kunnen?” “Ja natuurlijk, hij kon zelfs uitleggen wat het klimaat daar was”. Mijn hysterische lach maakte snel een einde aan het gesprek.

Ik weet niet wat vreemder is: een 9 jarige die bedenkt dat het wel eens vet zou zijn om te vertellen dat ie naar Noord-Korea zou gaan, of het feit dat een juf dat als een serieuze optie ziet.

Advertenties