Ik heb niet veel met dieren, behalve allergieën. Ter stimulering van de emotionele ontwikkeling van mijn dochter heb ik ooit cavia’s in huis getolereerd. De laatste is twee weken geleden in de tuin begraven. Zijn grafje was nog vers toen ik die dag op mijn werkkamer zat, verdiept in een cultuurwetenschappelijk essay. Ik hoorde een jammerend geluid. Eerst probeerde ik het te negeren, maar na een half uur besloot ik toch maar te gaan kijken.

Voor mijn deur zat een klein, mager kitten klaaglijk te miauwen. Mijn eerste reactie was snel de deur dicht te doen, voor het scharminkel naar binnen zou glippen. Maar zo harteloos mag een mens niet zijn. Bergingdeur open dus, kat naar binnen en strategie bedenken. Ik had precies 1 uur voor de kinderen thuis zouden komen. Een uur om een kitten te lozen. Want zièn, is hebben.

Ik belde de dierenambulance. En vanaf dat moment leek het alsof ik in een ouderwetse André van Duin sketch terecht was gekomen. Een doorrookte hese vrouwenstem nam op: “Met de dierenambulance”. ‘Goedemorgen mevrouw, u spreekt met Stavast uit Suburbia. Bij mij is een kitten aangelopen. Het diertje zit nu in mijn berging en ik vroeg me af of u het zou kunnen komen ophalen.” De vrouw rochelde: “Dat hangt ervan af”. OK, dacht ik, dat wordt de portemonnee trekken. Maar who cares, als ze maar komen. “Waar hangt het van af mevrouw?”, vroeg ik. “Of het kitten in nood is en dat is ie niet, want hij zit bij u binnen. Daar rijden wij niet voor uit.” “O nee”, dacht ik, “dat heb ik weer: een kitten in de berging en dan zo’n discussie met een Prinzipienreiterin”. Ik liet me niet van de wijs brengen en vervolgde mijn verhaal: “Ik heb ‘m juist binnengelaten omdat ie in nood was, maar nu wil ik er vanaf. Ik ben allergisch”. “Dan moet u ‘m naar het asiel in de grote stad brengen”, hoorde ik haar zeggen.

Nog geen half uur geleden zat ik niets vermoedend te studeren. Nu was ik bezig met een race tegen de klok: in recordtijd een kitten wegwerken. Nog 45 minuten! “Mevrouw, ik betaal voor de rit en ik doe een donatie als u ‘m op komt halen. Ik wil ‘m wel weer buiten zetten, zodat ie echt in nood is, maar dat lijkt me ook niet de correcte weg.” Aan de andere kant van de lijn hoorde ik haar overleggen: “Jaap, heb je nog tijd voor een ritje Suburbia… mompel, mompel, onverstaanbaar”. En toen: “Hij is over een kwartier bij u”.

Na een half uur ging de deurbel. Ik deed open en voor mij stond een boom van een vent, zo’n jaar of 60, compleet in ambulancerijdersoutfit. Binnensmonds en net verstaanbaar vroeg hij keihard: “U hep a poessie?” Ik was alleen en dat was de enige reden dat ik niet acuut in een slappe lach uitbarstte, maar slechts bevestigend knikte. “Hij zit in de berging. Loopt u even mee?”. De man opende de deur, pakte het kitten op en vroeg serieus aan mij: “Wil u poessie nog aaie”. Ik bedankte voor de eer, stopte de man een briefje van 20 euro in z’n hand en wenste ze allebei het beste. De dierenambulance reed de hoek om, toen ik mijn kinderen op de fiets zag aankomen. Dochter hijgde bij binnenkomst en zei: “De dierenambulance was in de straat. Weet je waarvoor?” Ik loog: “Nee, ik weet het niet. Misschien was er ergens een poessie in nood”.

Advertenties